Grondslag:
Artikel 39 BBV geeft aan wat onder de uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar afzonderlijk moet worden opgenomen. De vorderingen worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs. Voor verwachte oninbaarheid wordt een voorziening in mindering gebracht. De voorziening wordt bepaald op basis van de geschatte inningskansen. Voor uitzettingen is gekozen om de terminologie van de Wet Fido te volgen. Het begrip uitzettingen heeft zowel betrekking op vorderingen als op effecten.
De in de balans opgenomen uitzettingen met een looptijd van één jaar of minder kunnen als volgt gespecificeerd worden:
Stand per 31-12-2025 | Voorziening oninbaarheid | Boekwaarde 31-12-2025 | Boekwaarde 31-12-2024 | |
Vorderingen op openbare lichamen | 7.748.139 | 7.748.139 | 6.445.273 | |
Uitzettingen in 's Rijks schatkist met een rentetypische looptijd korter dan één jaar | 9.242.475 | 9.242.475 | 9.340.936 | |
Rekening-courantverhoudingen met niet-financiële instellingen | 47.130 | 47.130 | 214.061 | |
Overige vorderingen | 1.807.034 | -333.460 | 1.807.034 | 1.521.000 |
Totaal | 18.844.779 | -333.460 | 18.844.779 | 17.521.270 |
Toelichting op de post uitzettingen in 's Rijks schatkist
Sinds eind 2013 zijn decentrale overheden verplicht deel te nemen aan schatkistbankieren. Schatkistbankieren betekent simpelweg het aanhouden van middelen bij het ministerie van Financiën (de schatkist). Het Agentschap van de Generale Thesaurie voert binnen het ministerie van Financiën het schatkistbankieren uit. Alle deelnemers aan het schatkistbankieren hebben een privaatrechtelijke rekening-courantovereenkomst met de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het agentschap. In principe moeten alle overtollige middelen in de schatkist worden aangehouden, met uitzondering van een drempelbedrag. Het drempelbedrag is een minimumbedrag (afhankelijk van de omvang van de decentrale overheid) dat gemiddeld buiten de schatkist mag worden gehouden.
Een overzicht van dit drempelbedrag vindt u in het overzicht hierna:
